howlifecanchange

Startspot.nl

Als startpagina - Bij je favorieten - Eigen startpagina

Dating

» Meer dating!

Aanmelden

Bekijk of de naam nog vrij is en registreer de naam:

.startspot.nl

Overzicht

Jovie

Jovie

Elfje

Elfje

Me.

Me.

Halloo

ik ben Renate, 14 jaar en anders dan de normale 'puber'. Ik heb m'n eigen mening, m'n eigen stijl, m'n eigen kijk op de wereld en durf voor dit alles uit te komen. Dit kan misschien wel arrogant klinken, maar weet; vanbinnen zit een klein, schuchter meisje. Ik heb gn zelfvertrouwen, ben onzeker over alles wat ik zeg en doe & ben altijd bang dat ik niet goed genoeg zal zijn. Je kan me leuk vinden, je kan me haten. Maar ik vraag jullie om niet op mijn karakter of mijn uiterlijk te oordelen, maar op mijn verhaal. Reacties zijn altijd welkom.

Renate

Het verhaal.

Het verhaal.

Dit is m'n nieuw verhaal - Na Broken Eyes. & enkele kortverhalen - dat ik How life can change heb genoemd. Het gaat over Jovie en Roosie, een bijna 16-jarige tweeling. Als iets vreselijks Roosie overkomt en Jovie op niemand meer kan rekenen, loop het helemaal fout. Enjoy.

My little sis.

My little sis.

Voor m’n tante nog maar iets had gezegd, wist ik dat het geen plezierig nieuw zou zijn. Ik hoorde het aan haar stem. Ze probeerde zich te beheersen terwijl ze vanbinnen op springen stond. Ik wou schreeuwen dat ze het me gewoon moest vertellen, dat ik het wel aan kon, maar ik kon geen woord door m’n keel krijgen. Haar adem stokte en met horten en stoten kwam het er eindelijk uit. Als versteend hield ik de gsm tegen m’n oor, ik kon gewoon niet vatten wat ik te horen kreeg. ‘Jovie? Jovie? Ben je er nog? Moet ik naar je toekomen?’ Ik kreeg geen woord over m’n lippen. Mijn zusje, twee minuten jonger dan mij, maar toch mijn klein zusje. Mijn zusje, mijn wereld, mijn alles. Ik kon maar niet geloven dat zoiets juist ons overkwam, ik suste mezelf dat het gewoon een boze droom was en ben in m’n bed gekropen. Nu kan ik mezelf wel voor de kop slaan. Zeven uur heb ik geslapen, zeven uren dat m’n zus me heeft moeten missen, dat ik er niet voor haar was. Razendsnel schiet ik in m’n kleren en net voor ik op m’n fietst spring, besef ik dat ‘k helemaal niet weet waar ze is. Waar zijn m’n ouders ook als je ze nodig hebt! Zouden ze het al weten? Of zitten ze ergens in the middle of nowhere zonder telefoon? Al twee maand zijn ze nu op wereldreis, mij en m’n tweelingzus aan ons lot overgelaten. Denkend dat we wel oud en wijs genoeg zijn om voor onszelf te zorgen. Maar zonder de hulp van m’n tante en het aangeboden eten van vrienden, lagen we nu al vast in de goot. Hoe kunnen ouders nu van hun bijna 16-jarige dochters verwachten dat ze op hun eigen benen kunnen staan? Niet dat ons leven moeilijk is, dat niet. Opstaan, eten, naar school gaan, huiswerk maken en gaan slapen. En natuurlijk profiteren we er wel van dat we geen toezicht meer hebben ’s avonds. Roosie kwam vaak pas tegen de ochtend thuis, terwijl ik me liever in de zetel nestelde met een goed boek. M’n zus kon urenlang op de dansvloer staan, en toch de volgende ochtend het zonnetje in huis zijn. Op school en bij de jongens ging het haar allemaal voor de wind. Ze haalde fantastische punten zonder er ook maar iets voor te moeten doen en ze had al vele jongensharten veroverd. Maar steeds weer, viel ze op de verkeerde types. Ook zo haar vorige vriendje, Tom, verschrikkelijk groot en breed geschouderd. Zo een gast die dacht dat hij iedereen bezat. Roosie mocht de andere jongens geen blik gunnen of ze kreeg een scheldtirade over haar heen. Nadat ze hem had betrapt met een of andere del, ging eindelijk het licht in haar branden en heeft ze hem koelbloedig gedumpt. ‘Life goes on’ was haar motto. Met een schok besef ik dat ik over m’n zus denk alsof ze er niet meer is. Alles is altijd weer goed gekomen, dat zal nu ook wel het geval zijn. Toch?

Reacties zijn welkom.

So fragile.

So fragile.

Nog nooit heb ik zo rap gefietst. Hijgend sta ik in de hal van het Sint-Lucas ziekenhuis. Kamer 215 had m’n tante gezegd. Maar waar vind ik in hemelsnaam kamer 215? En waarom komt die lift nou nooit als je hem nodig hebt? Ik storm de trappen op en bots tegen een verpleegster die zich naar beneden haast. Verbaasd staart ze me aan en vraagt: ‘Dag meisje, kan ik je helpen? Zoek je je mama of papa? Die zijn hier nu niet hoor. Op dit uur mag er helemaal geen bezoek komen. Moet ik je begeleiden naar beneden?’ Na elke zin gaat haar stem krampachtig de hoogte in. Voor wat ziet ze mij aan, voor een schattig meisje van zes jaar? ‘Ik zoek m’n zus, ze is gisterenavond binnengebracht. Mijn tante was een uur geleden nog bij haar.’ Met smekende ogen kijk ik haar aan. ‘Zo, jouw zusje? Wat erg voor je. Maar ik kan je echt niet doorlaten.’ Voor ze uitgesproken is, ren ik haar al voorbij. Ik hoor haar nog iets roepen maar ik luister al niet meer. Wat weet dat mens er nu van, ze hoort te doen alsof ze het erg voor me vindt. Maar moest ze echt met alle patinten inzitten, ze zat al lang in een diepe depressie. Eindelijk sta ik voor kamer 215. Moet ik nu aankloppen, of gewoon naar binnen gaan? Zachtjes duw ik de deur open. Ik schuifel naar het bed dat in het midden van de witte, kale kamer staat. Als ik Roosie daar zo zie liggen, barst ik in tranen uit. Ze ziet er zo grauw, dun, breekbaar uit. Mijn sterke zus heeft plaats gemaakt voor iemand helemaal anders. Maar ik ben ervan overtuigt dat als ze terug wakker wordt, ze weer mijn Roosie zal zijn. Mijn slimme, mooie tweelingzus, mijn voorbeeld. ‘Roosie. Roosie? Kan je me horen?’ Zachtjes neem ik haar hand vast, bang dat die in stukjes uiteen zal vallen. ‘Word toch wakker! Roosie!’ Bijna schreeuw ik. Terwijl ik me bij m’n zusje op bed zet, voel ik m’n gsm trillen in m’n broekzak. De intro van ‘Reden’ maakt me wat rustiger en met een bibber in m’n stem neem ik op. Dat gsm’s in de omgeving van de patint verboden zijn, vergeet ik even. ‘Met Jovie.’ ‘Jovie! Hoe gaat het met Roosie? Komt alles wel goed? Kan ik iets voor jullie doen?’ Ik herken direct Elfjes stem. Al jaren is ze onze beste vriendin, zo n die altijd voor ons klaarstaat. ‘Elfje, rustig man. Ik ben nu bij Roosie. Eigenlijk mag ze geen bezoek krijgen op dit uur, maar boeien. Hoe weet je wat er gebeurd is met Roosie?’ ‘Ik vond het al raar dat je niet op school was daarstraks, en Peters vertelde ons net dat Roosie in het ziekenhuis ligt. Ik kom zodra de school uit is, ok? Ik moet ophangen. Sterkte!’ Voor ik nog iets kan zeggen, is Elfje verdwenen. Ik was helemaal vergeten dat ik vandaag school had! Maar ik moet bij Roosie blijven. Tante vertelde dat m’n ouders nog steeds onbereikbaar zijn, dus op hun steun moet ik ook al niet rekenen. Roosie heeft niemand anders dan mij, ik kan haar hier toch niet alleen laten. Stel dat er iets misloopt! ‘Jovie, niet aan denken! Alles komt goed! Zusje ligt gewoon in een diepe slaap, maar ze wordt heus wel weer wakker.’ Ik heb mensen die tegen zichzelf praten, altijd nogal zielig gevonden, maar nu brengt het me tot rust. Roosie zal toch niet eeuwig in coma blijven? ‘Coma. Coma.’ Als ik het luidop uitspreek, klinkt het minder eng. Zou Roosie niet wakker worden als ik nu eens heel hard roep, of haar dooreenschud? Ik durf niet, bang om elk beentje in haar lichaam te breken. Als verlamd kijk ik naar m’n ooit zo levendige zus.

Before you go.

Before you go.

Ik schrik overeind als er plots iemand op de deur klopt. ‘Zou ik even mogen binnenkomen? De mevrouw aan de balie zei dat ik jou hier kon vinden. Ik ben Anita, van de politie van Gent.’ De politie, juist de politie. Ik wist dat ze ooit naar me toe zouden komen, maar nu al? Anita zet zich op de stoel naast het bed en kijkt me vriendelijk aan. Ik dacht dat agenten altijd nors en bruut waren, maar Anita is een gewone, lieve vrouw. ‘We hebben je ouders nog steeds niet kunnen bereiken. Weet jij soms waar ze op dit moment zijn?’ Ik denk na. Vorige week nog kregen we een kaartje uit China, dus zouden ze nu ergens in Rusland moeten zijn. Maar Rusland is gigantisch! ‘Ik weet het niet, ergens in Rusland, maar waar weet ik niet juist. Je moet hen kunnen bereiken! Ze kunnen toch niet gewoon doorgaan met hun stomme wereldreis terwijl hun dochter hier in coma ligt. Wat als er iets misgaat, als ze sterft? Wat dan?’ Snikkend kijk in Anita aan. Zachtjes legt ze een arm om me heen en sust me. Dit hoort m’n mama te zijn, mijn moeder hoort me op dit moment te troosten! Ik sla Anita’s arm weg. ‘En wanneer vertel je me eindelijk wat er nu juist met m’n zus gebeurd is? Denk je dat het leuk is om opeens te horen dat m’n zus in coma ligt, en niet eens te weten waardoor?’ Ik zucht. Waarom ik nu zo driftig ben, weet ik niet. Maar het is gewoon die woede, die al weken in me opgekropt zit. Die woede waarover ik zelf niet met m’n tweelingzus kon praten. Die woede dat me steeds weer nachtmerries bezorgt. Anita begint aarzelend te vertellen: ‘Jouw zus is gisterenavond binnengebracht. Zoals je wel weet was ze betrokken bij een ongeval met vluchtmisdrijf. Een donkere auto heeft haar op straat geraakt en haar meerdere meters meegesleurd. De politie heeft nog geen spoor naar de dader, maar zodra we meer weten, krijg jij het zeker te horen. Jouw zus haar fiets is in de goot terug gevonden en buurtbewoners hebben het ziekenhuis gebeld. Ze is nu nog steeds in kritieke toestand, waardoor eigenlijk alleen maar bezoek van de ouders is toegestaan. Maar omdat deze er nu momenteel niet zijn, wordt voor jou een uitzondering gemaakt. Meer weten we nog niet, maar zodra we iets nieuws hebben, kom ik direct naar jou toe.’ Vluchtmisdrijf. Het is iets wat je in series of films op tv ziet, maar nu overkomt het ons. Juist ons. ‘Kan ik nog iets voor je doen Jovie?’ Of ze iets voor mij kan doen? De tijd terug draaien, zorgen dat m’n zusje weer perfect normaal is. ‘Nee hoor, ik red het wel alleen.’ En met een knikje verdwijnt Anita uit de kamer. De uren sluipen voorbij, slorpen me helemaal op. Buiten voor een kop koffie, verlaat ik de zijde van m’n zus niet. Als Roosie er niet bovenop geraak, dan vermoord ik de gast die haar heeft aangereden. Dat hij nog niet gevonden is en hier misschien ongestraft mee weggeraakt, blijft door m’n hoofd spoken. Even denk ik dat Roosie beweegt, maar ik weet dat het mijn verbeelding is. Ik ben te hard gefocust op het feit dat ze in coma ligt. Zachtjes begin ik tegen haar te praten: ‘Zusje, misschien kan je me horen, misschien ook niet. Misschien heb je er iets aan, misschien ook niet. Maar mij geeft het troost. Om toch nog tegen je te kunnen praten, alles uit te leggen. Om toch nog steeds jouw aanwezigheid te voelen. Ik moet je eigenlijk wat opbiechten, iets wat ik je nooit hebben durven vertellen. Wat ik zelf jou gewoon niet kon vertellen. En van de weinige geheimen die ik voor jou heb. Maar als je nu weggaat, zonder te weten wie ik op sommige momenten ben, dan zou ik het mezelf nooit kunnen vergeven. Ookal hoor je me misschien niet, dat ik alles kan vertellen, desnoods aan de muren, zal opluchten. Het begon al enkele jaren geleden, in het eerste middelbaar. We werden in verschillende klassen geplaatst, kregen andere vrienden. Jij hoorde natuurlijk direct bij de coole groep, werd direct geaccepteerd. Bij mij verliep het wel wat anders. Je weet dat het maar niet lukte om mijn draai te vinden, dat ik je miste. Maar wat het bij mij veroorzaakte, dat kon ik je niet vertellen.’ Als Elfje opeens de kamer komt binnengestormd, hou ik abrupt m’n mond. ‘Tegen wie was jij nu aan het mompelen? En waarom heb je…’ Haar adem stokt als ze Roosie ziet liggen. Zonder nog een woord te zeggen komt ze naast me zitten en slaat een arm om me heen. We voelen beiden dat we Roosie bijna kwijt zijn.

Toch een beetje opgedragen aan Suzy, onze hond. Zij moest ons juist vandaag, op pasen, verlaten. we'll miss you

the past

the past

Eindelijk, ja eindelijk, hebben ze m’n ouders aan de lijn gekregen. Natuurlijk wouden ze eerst zeker weten of het wel ernstig genoeg was om er hun o zo belangrijke wereldreis voor te onderbreken. Hun dochter ligt in coma, hallo?!! Geen idee wanneer ze hier zullen zijn, ik geef ze een paar dagen. Nu maar hopen dat er in die tijd niets fout loopt. Ik haal m’n gsm boven om te kijken hoe laat het is. 22:22. Ik ben altijd al gefascineerd geweest door cijfers die op n of andere manier bij elkaar passen. Natuurlijk vertel ik daar nooit tegen iemand over, ze vinden me al vreemd genoeg. Maar oneven cijfers, of meerdere keren hetzelfde cijfer, stellen me gerust. Geen idee hoe dat juist komt. Maar bon, ik wijk af. Elfje is al een paar uur geleden weer vertrokken, veel kon ze hier niet doen. En dag ben ik afwezig geweest, en er ligt al een pak huiswerk op mij te wachten. Trouwens, wat voor dag zijn we eigenlijk? Vlug haal ik m’n gsm weer boven. Woensdag, lees ik onder de foto van Tokio Hotel. M’n gedachten dwalen weer af. Roosie en ik zijn al jaren fan van Bill en co. Maar door de hype is het allemaal wat verwatert. Wij zijn nooit personen geweest die meedoen met wat in is, we gingen onze eigen weg. De mensen aanbaden m’n zus daarvoor, bij mij was het dan weer wat anders. Eigenlijk ben ik al jaren jaloers op m’n zus, hoe ze zich niks van de wereld kan aantrekken, en dat iedereen haar juist daarom zo fantastisch vind. Maar ondanks al de aandacht die Roosie kreeg, is ze me nooit vergeten, heeft ze me nooit laten vallen. Ze is mijn tweelingzus n mijn beste vriendin. En ik weet niet of het zonder haar nog allemaal zin heeft. Maar ik mag de hoop niet opgeven, ze is er nu nog. En ik mag me niet druk maken met denken dat ze er elk moment niet meer kan zijn. Roosie is sterk genoeg om dit te overleven, ze laat zichzelf niet zomaar gaan. Met deze geruststellende woorden, val ik, wonder boven wonder, in slaap.

‘Waaaat? Jullie denken toch niet heus dat ik alles doe wat jullie willen? Ik kan veel nemen, maar dit gaat me echt wel te ver!’ Vlug loop ik weg van mijn klas. Alsof het ongeluk het op mij gemunt heeft, is m’n zus vandaag ziek. Juist voor m'n klas me inhaalt, storm ik het toilet binnen. Daar, achter een gesloten deur, voel ik me eindelijk veilig. Krijg ik eindelijk een beetje privacy, een beetje rust. Maar niet voor lange duur. Enkele minuten na de bel kan ik mezelf overhalen uit 't toilet tevoorschijn te komen en naar m’n klas te gaan. De stelling van Thales roept. Niet dat ik er om geef, Roosie moet het me meestal na school nog eens uitleggen, omdat ik er weer niks van begrijp. Het liefst zou ik moderne wetenschappen vaarwel zeggen en toneel gaan studeren, maar m’n ouders zijn er niet over te spreken. Te duur, te ver weg, ik kan beter, het geeft een onzekere toekomst en ga zo maar door. En eigenlijk wil ik helemaal niet op internaat gaan, weg van Roosie. ‘Jovie? Jovie! Wil jij de definitie in symbolen eens op het bord komen schrijven?!’ Pas enkele tellen later dringt het tot me door dat Mevrouw De Wilde het tegen mij heeft. ‘Euhm. Ik weet het niet Mevrouw.’ Voor de zoveelste keer probeer ik het gegiechel rondom mij te negeren. Als ik m’n wangen voel rood worden, schud ik vlug m’n lange haren voor m’n gezicht. M’n blonde lange haren. Net zoals m’n zus.

My life would suck without her.

My life would suck without her.

'Goedemorgen. Zou u even naar buiten willen gaan, zodat wij uw zus even kunnen onderzoeken.' Een knarsende stem schudt me wakker. Half slapend wrijf ik over m'n ogen en pas langzaam dringt tot me door waar ik ben. Zonder de dokter te antwoorden loop ik de kamer uit. Ik heb koffie nodig. Zonder m'n portie cafene kom ik de dag niet door. Met m'n beker zwarte koffie stap ik het het cadeauwinkeltje op de eerste verdieping binnen. Elke keer ik hier kom, en geloof me, dat is onderhande al erg vaak, vraag ik me af wie zulke grote bullshit nu echt koopt.

Wat moet ik nu? Naar school gaan, naar huis of hier blijven, bij Roosie? Nee, ik kan Roosie niet alleen laten, niet nu ze nog niet stabiel is. Ik sluip Roosies ziekenhuiskamer terug binnen en ga zo stil mogelijk de toiletten in. De dokter staat nog steeds bij Roosies bed aantekeningen te nemen en ik heb geen nood aan een medische uitleg waarvan ik niks versta. En als ik om een vertaling vraag, het erop aankomt dat ze nog steeds nergens staan. Dan trek ik me liever even terug. Ik moet twee keer kijken voor ik m’n eigen gezicht herken in de ronde beslagen spiegel. Verbaasd staar ik naar mijn vermoeide ogen, wallen waarop een olifant jaloers op zou zijn. Vlug steek ik m’n hoofd onder de kraan. In het ziekenhuis is het om te bezwijken, waardoor het koude water me verschrikkelijk goed doet. Omdat ik de dokter nog hoor stommelen, durf ik niet uit de toilet tevoorschijn te komen. Ik laat me op de grond glijden en een ijzige rilling dringt door me heen als m’n rug de koude muur raakt. Hij neemt me mee naar die zaterdag, die zaterdag dat ik dacht dat ik haar kwijt was.

Voor de vijfde keer sla ik Moordenaars bij Dageraad van Darren Shan open. Genietend van elke letter maar met schrik in m’n hart, omdat ik weet wat er gaat komen. Ik ken het fragment al lang uit m’n hoofd, maar steeds weer stromen de tranen over m’n wangen. Op sommige momenten lijk ik wel op een klein kind, dat weent als haar lievelingspersonage in het sprookje sterft. Maar ik geef er niet om, niemand die me ziet. Roosie vertrok al vroeg in de avond naar Elfje. Ze hadden me deze keer niet kunnen overhalen om naar n of andere fuif mee te gaan. Van tijd op tijd heb ik mijn rust nodig. Ik ben niet het danstype, toch niet met mensen erbij. Thuis experimenteer ik vaak voor de spiegel, maar zodra iemand de kamer binnenkomt, klap ik helemaal dicht. Terwijl ik moet toegeven dat het er niet eens slecht uitziet. Mijn zangtalent daar in tegen, is niet voor vermelding vatbaar. Maar ik werk eraan. Ik moet m’n angsten overwinnen, ik wil godverdomme actrice worden. Maar met mijn podiumvrees, maak ik natuurlijk niet veel kans. Maar bon, ik zit dus rustig te lezen en me voor te bereiden op wat gaat volgen. Maar voor ik aan het befaamde stuk kom, schelt de bel door het huis. Met een lichte angst, wie kan me in hemelsnaam op dit uur nodig hebben, stommel ik naar de deur. Na de drie sloten opengemaakt te hebben, ik speel graag op veilig, schuif ik de deur een kier open. Maar ik kan het gewicht van Roosie en Elfje tegen de deur niet houden en met een klap belanden we alle drie op de grond. Terwijl ik Elfje recht trek, zie ik dat Roosie er verschrikkelijk ongezond en ziek uitziet. Weer teveel gedronken natuurlijk. ‘Dank je om haar thuis te brengen, Elfje. Hoeveel heeft ze deze keer op?’ ‘Jovie, het is amper n uur, we waren pas een uur op dat feest toen Roosie zich onwel voelde. Het leek ons beter terug naar huis te komen. Morgen zal het vast beter zijn. Ik gok op oververmoeidheid.’ De angst beklimt me. Roosie is anders nooit ziek. Ik bedank Elfje nog zo’n duizend keer en werk haar dan de deur uit. En nu? Roosie is ondertussen met moeite terug recht gekropen en houdt zich vast aan ons salontafeltje. Ze ziet verschrikkelijk bleek maar tegelijkertijd gloeit ze helemaal. Ik help haar de trap op en geef haar iets tegen de koorts. Maar het wordt er niet beter op. Als Roosie opeens flauw valt, draai ik helemaal door. In paniek bel ik een ambulance en een halfuur later zit ik alleen in de ziekenhuishal te wachten. Pas dan dringt door me door dat ik misschien overgereageerd heb, dat het misschien inderdaad gewoon oververmoeidheid is. Maar de dokter maakt me al rap duidelijk dat er wel degelijk iets aan de hand is. Voedselvergiftiging. Wat ze die nacht, of moet ik het morgen noemen, nog allemaal hebben gedaan, weet ik niet. Maar uiteindelijk was ze na twee dagen weer de oude, gelukkige, gezonde Roosie. Maar nog nooit heb ik zo’n doodsangsten doorstaan. Wat als mijn Roosie, mijn liefste zusje er niet meer zou zijn.

Toen is het goed afgelopen, maar wat garandeert me dat het deze keer ook zo zal zijn.

Door Renate i.s.m howlifecanchange.startspot.nl
Hosting en scripting door: MPlay.nl
Er staan 7 links op deze pagina.
Opmerkingen of suggesties?